Vul deze velden in en aanvaard de voorwaarden en privacybeleid

261018 Wij zijn op God gestempeld

29e zondag (2026) Wij zijn op God gestempeld (Mt.22,15-22)

Marcel Braekers

Openingszang 512 Wees hier aanwezig, God, en luister

Begroeting

Gepensioneerd zijn heeft soms zo zijn voordelen. Een ervan is dat het invullen van de belastingbrief eenvoudig wordt. Ook al ben ik kloosterling met de gelofte van armoede toch was dat invullen in het verleden ingewikkeld. Zoals de meeste Belgen probeerde ik aan allerlei aangiften te ontsnappen, soms met wisselend succes. Ondanks de wrevel en rebellie bleef op de achtergrond het gevoel of de zwakke troost dat al dat afschuimen door vadertje staat toch bedoeld is om onze maatschappij op een acceptabele manier te laten functioneren.

Dat was voor de Joden in Jezus’ tijd wel anders. Elke volwassen man moest 1 denarie per jaar afdragen aan de Romeinse schatkist. Belasting aan de bezetter betalen is niet prettig. Voeg daarbij dat op die denarie de afbeelding van de keizer  met de lauwerenkrans stond, wat hem allure van een god gaf. Voor de Joden was dat genoeg om voor heibel te zorgen. Ze hadden daarom bekomen dat in Jeruzalem en in de tempel een munt zonder die beeltenis in gebruik was. Je kon aan de ingang van de tempel de romeinse munten inwisselen tegen de geldende joodse. Als Jezus later de tafeltjes van de geldwisselaars omver stootte had het hiermee te maken. 

Deze achtergrond is belangrijk om het voorval in het evangelie te begrijpen: de vraag die Jezus wordt gesteld of je wel of niet belasting aan de keizer moet betalen. Op het eerste zicht zou je denken dat deze viering over materiële dingen zal gaan. Helaas ben ik een slecht geplaatste belastingadviseur en wordt het toch weer een verhaal over spiritualiteit. 

Lied 110 bidden wij tot de levende God

Gebed

Mijn eerste woord als ik wakker word
Is een lied voor U, Allerhoogste.
Een lied dat zingt van uw zorg in het holst van de nacht,
Van uw trouw die het morgen laat worden;
Met al de snaren van mijn hart word ik geroerd
Om wat U voor mensen doet.
Zegen ons daarom, God, altijd opnieuw met uw zegel,
Met uw beeld geschreven in ons hart.
U, enig Ene, in tijd en eeuwigheid. Amen

Inleiding op de lezingen

We horen nu het begin van de brief van Paulus aan de christenen van Tessalonica. Het is de oudste brief en de eerste geschreven tekst van het NT. Het geeft aan de woorden een bijzonder gewicht, want hier wordt een bedding getrokken voor de latere teksten.

1 Tess. 1,1-5b

Lied 525 dankt, dankt nu allen God

Mattheüs 22, 15 – 22

Homilie

De Joodse leiders speelden een hypocriet spelletje: ze speelden enerzijds stokebrand en wakkerden de wrok van het volk op dat belasting moest betalen, maar daarna begonnen ze te sussen omdat ze een opstand vreesden. Was het daarom een uitdaging toen men aan Jezus de vraag stelde of men wel of niet belasting moest betalen of was het een ernstig bedoelde vraag? Volgens Mattheüs was het een huichelachtige strikvraag (maar we weten dat Mattheüs het altijd op de farizeeërs had gemunt). 

Het antwoord van Jezus is raadselachtig en geeft daarom aanleiding tot heel verschillende interpretaties. Ik bespaar u de verschillende verklaringen en geef alleen zoals ik de tekst begrijp. Er speelt hier iets mee dat in het evangelie steeds terugkeert en dat de exegeten “de wet van het achtergewicht” gingen noemen. Wat bedoelt men? Dikwijls wordt een voorval of een parabel verteld met aan het einde een soort van veralgemenende conclusie. ‘Wie is mijn naaste, vraagt de Schriftgeleerde’ en er volgt een heel verhaal met als besluit: ‘doe gij evenzo’. Of zoals in het evangelie van vorige zondag over de koning die een feestmaal wilde geven, maar de genodigden willen niet meevieren. Het besluit van de tekst is: “velen zijn geroepen maar weinigen uitverkoren”. Alles wat wordt verteld, dient voor die laatste uitspraak. 

Die typisch Joodse manier van spreken speelt ook hier een rol. “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt, maar vooral, geef aan God wat God toekomt.” Heeft Jezus de controversiële vraag willen ontwijken of ging het voor Hem om iets veel belangrijker? Zijn idee is blijkbaar: een denarie met de beeltenis van de keizer dient om belasting te betalen, dat is één zaak. Maar belangrijker is dat jullie dragers zijt van Gods beeld en daarom horen jullie aan God toe. 

Zo keek Jezus naar dé mens: elke mens wat zijn afkomst of achtergrond ook mag zijn, iedereen draagt in zich een goddelijke kern, het vermogen om met die heel Andere in relatie te treden. Je bent natuurlijk vrij om er wel of niet naar te luisteren, maar onze diepste bestemming, aldus Jezus, onze eigenste roeping is zich open stellen, zo leven dat je beschikbaar bent om te luisteren naar die diepere kern in ons. We zijn vrij om ons leven zelf in te richten. Je kan zo leven dat je die grond niet voelt en dat hij geen ruimte krijgt en je maar voort holt zoekend naar een ongrijpbaar geluk. Maar eigenlijk worden we maar mens door in diepe ontvankelijkheid ons beschikbaar te stellen, door te leven volgens de muntafbeelding in ons. Ook naar buiten gekeerd betekent dit dat ieder mens, wie of wat hij of zij ook is, ons respect verdient omdat hij drager is van Gods beeltenis. “Geef aan God, wat God toekomt”.

Offerandegebed 149B

Groot dankgebed: H. Oosterhuis ‘jouw naam’ in ‘Gezongen liedboek’ p.186 + refrein 134 Laudate omnes gentes

Na de communie lied 563 kom in mij

Slotgebed: Bijbels liedboek p. 154 

Contactinformatie

©2005-2024 Filosofenfontein

✉️   info@filosofenfontein.be

Ondernemingsnummer: 0775.603.387

Bankgegevens:"FIFO Heverlee" 

KBC: BE11 7340 3906 5848

Volg ons op Sociale media

QR Code

Door je camera op de QR code hieronder te houden kan je met je bank app op je smartphone een betaling doen op de rekening KBC: BE11 7340 3906 5848 van de Kapelgemeenschap Filosofenfontein vzw. Vul het bedrag in, en keur goed.

QR_code_betalen_zwart_wit.png