Viering 50 jaar Filosofenfontein - Doe je sandalen uit want deze plaats is heilig
Marcel Braekers
Openingszang: Zomaar een dak 546
Begroeting
Dit aanstekelijke lied zongen we 50 jaar geleden toen we voor het eerst samenkwamen om aan deze gemeenschap een nieuwe toekomst te geven. Veel van de enthousiasten in die dagen zingen intussen elders een hemels lied. Vijftig jaar hebben we vanuit een veelheid aan inspiratiebronnen gebeden, gezongen, elkaar bemoedigd en God dankend geprezen om het geschenk van zijn aanwezigheid.
En dan gebeurde het regelmatig dat we na een viering tegen elkaar zegden: vandaag was ‘het’ er. Vreemd dat je zo’n neutraal, leeg woord moet gebruiken om iets heel belangrijk te zeggen. Het ligt niet aan de zwakte van onze taal maar aan het gewicht van de ervaring die zo alles overstijgend is. Met ‘het’ bedoelden we een ongrijpbare sfeer, een aanwezigheid, een huivering die door deze ruimte ging en ons aanstootte. ‘Het’ was er zoals Oosterhuis dichtte: ‘zien, soms, even’. Het kon onaangekondigd en onvoorzien aanwezig zijn, je kon er op hopen, maar het liet zich niet manipuleren, je kon alleen verwachtend uitzien.
Het gaat om een spirituele gebeuren waarbij grenzen vervagen, mensen zich voelen opgenomen in een overstijgend gebeuren. Soms was het een heilige huivering, soms een diepe verontwaardiging om wat in de wereld gebeurt. Om dat moment te ervaren kwamen we hier vijftig jaar samen en kent ons vieren nooit een einde. De inspiratie van de vele voorgangers, de meerstemmige samenzang, het gedragen voorlezen van de teksten, het geschenk van brood en wijn waren daarbij essentieel. Maar even wezenlijk was de bijdrage van elke deelnemer: de aandachtige houding, de verbondenheid, de diepgelovige overgave, dat alles vormde ‘het’ waar we zo naar uitkeken. ‘Breken en delen, zijn wat niet kan, doen wat ondenkbaar is’. Dat alles vieren we vandaag en daarom zingen we Gods lof. Laten wij eerst bidden “over dit huis waarin we zijn samengekomen”.
Lied 115 Bidden wij over dit huis (Heer, ontferm U over ons)
Gebed – Gij wacht
Gij wacht op ons
Totdat wij opengaan voor U
Wij wachten op uw woord
Dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem
Op uw stilte.
Uw woord, dat de eeuwen voorziet,
Onze dagen behoedt,
Het kome geladen met kracht
Als de opgaande zon. (Oosterhuis, stilte zingen p.24)
Hernemen van lied 546 (Zomaar een dak) met commentaar van Lut, Ria en Jef bij elke strofe
Strofe 1 (Jef)
Hoe bevreemdend klinkt de aanhef van dit lied. We zíngen dan wel “zómaar een dak” maar voelen we dat ook zo aan? Het perspectief binnenkort afscheid te nemen van deze vertrouwde plaats doet ons sterk beseffen hoe uniek dit brok beton, óns dak, wel is. We zingen “boven wát hoofden” maar voelen we dat ook zo aan? Alsof wie naast ons zit, eender wie kan zijn? Alsof we niet blij zijn dié en dié hier op zondag te zien? Hoe bevreemdend de aanhef ook is, toch zíngen we de tekst met overtuiging. Want we vermoeden dat élk dak een levend huis kan vormen als wij er binnengaan. We vermoeden dat wié ook naast ons zit, bondgenoot kan zijn om levend lichaam te worden. In dié paradox tussen “zomaar een dak” en “levend lichaam” zit de uitdaging van deze strofe. Hoe raak je uit deze tegenspraak?
Een eerste sleutel ligt in de beeldspraak die de dichter ons aanreikt. Eénder welk dak kan worden tot een huis als het gedragen wordt door “muren van huid”; als het onderdak biedt aan wie speurt naar hoop en dageraad; als het betreden wordt met het verlangen naar vruchtbare stilte. Wie zo het huis binnengaat, geeft mee vorm aan het levend lichaam. Toch raakt de paradox tussen “zomaar een dak” en “levend lichaam” pas echt opgelost via een tweede sleutel. Naast wat we zélf inbrengen, is er ook wat we te ontvángen hebben. Ons binnengaan krijgt pas zijn ultieme vervulling als er iemand is die op ons wacht, als er een bezielende kracht is die ons verlangen ziet en ons tot gemeenschap máákt.
“Om recht voor god te staan”: in die woorden ligt de voltooiing, het geheim van het levend lichaam. Niet toevallig klinkt de muzikale bevestiging ervan als bazuingeschal in de oren. Laten we zingen.
Strofe 2 (Ria)
Elke viering beginnen we met een woorddienst, woorden over wat er ons in de Heilige Schrift is overgeleverd, over onze interpretatie daarvan, en ons gevecht daarmee. Deze woorden zijn van ver, zegt de tekst. Ze komen van lang geleden, uit de verre kosmos aangewaaid. Het lijken wel vallende sterren. Het zijn vonken van vuur die bij ons aansluiting vinden. Hoe kunnen we ze herkennen? We kunnen ze toch niet herkennen als we er helemaal vreemd aan zijn. Die vonken vinden weerschijn en weerklank in de zielenvonk die we allemaal in ons hart meedragen. Het zijn woorden die onze dromen en visioenen levend houden.
Met woorden proberen wij Hem te benaderen, we zoeken namen voor Hem. We stamelen woorden waarmee we over het grote mystieke geheim kunnen spreken. Het is moeizaam proberen. Niets voor niets noemen we hem: ‘ Onnoembare Nabije’. Hij is ver en dichtbij, een armlengte bij ons vandaan en toch onnoembaar ver weg. Zijn Naam is ons in het hart geschreven en toch blijft Hij een mysterie. We krijgen signalen vanuit de wereld aangewaaid. In de viering komen die signalen bv van onze voorgangers, van de mensen die voorbeden brengen. Uit de ontmoetingen in de kapel putten we signalen waar we mee verder kunnen in het leven.
Wij zijn monden van aarde, wij zijn van de wereld, onze ervaringen zijn zintuiglijk, we horen en zien Gods woord, het komt in ons tot ontplooiing, we houden het vast en spreken er over. Het woord van God dat we aarzelend tegemoet gaan is vrij en lichtend, het bevat geen enkele dwang of verplichting. Het bevrijdt ons. We komen binnen zoals we zijn, met onze sterke en zwakke kanten en gaan telkens weer bevrijd en verlicht buiten met nieuw vertrouwen in onszelf en in de wereld.
Strofe 3 (Lut)
Een tijd geleden nam ik deel aan een workshop in een abdij. Op een middag nodigde de begeleider ons uit om samen rond het altaar te gaan staan. Daar er geen stoelen waren deponeerden sommige mensen hun spullen op het altaar. Voor mij is een altaar echter niet zomaar een meubel waarop je spullen kwijt kan. Het is een heilige plek waar we via de rituelen van het tafelgebeuren in contact komen met de Ene. Door onze verbondenheid met onze Oorsprong, met De Ene, voelen we ons ook één en verbonden met elkaar, als broeders en zusters. In die geest gaan we nadien samen rond het altaar staan.
In sommige van onze vieringen voelt voor mij deze verbondenheid aan als een wonder, waarbij alles in mijn leven op zijn plaats valt en ik een diepe vrede voel met het leven zoals het mij gegeven is. Doorheen de geschiedenis van het Godsvolk hebben mensen dit ervaren. Het lijkt een oud en vergeten geheim, dat we in intens contact met God telkens als nieuw beleven. Door het breken en delen van het brood als symbool van leven toonde Jezus waar het in het leven echt om gaat. Het was ook de handeling waardoor zijn leerlingen hem na zijn verrijzenis herkenden. We hebben het leven gekregen, niet om het voor onszelf te houden, maar om het te delen met anderen zodat ook zij kunnen leven. ‘Dat wij elkaar gegeven zijn’ is misschien de meest wezenlijke zin van de derde strofe. Het gaat om een manier van in het leven staan die volgens menselijke maatstaven ondenkbaar is: verzoenen waar verzoening onmogelijk lijkt, delen waar schaarste heerst, vrede brengen waar enkel vijandschap is. Het breken en delen verwijst niet alleen naar een diep-christelijke levenshouding, maar uiteindelijk naar Christus die zijn leven geeft. Maar de dood krijgt niet het laatste woord: het lied eindigt met het perspectief van de verrijzenis. ‘Dood en verrijzenis’ kunnen ook symbolisch worden gelezen: wat niet of niet meer werkt loslaten om ruimte te maken voor iets nieuws. In het christendom zijn dood en verrijzenis onafscheidelijk met elkaar verbonden. Als dat geen hoopvol perspectief is!
Bijbelse lezing Openbaring 21: over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde
Lied 364 0m te zien een nieuwe aarde
Gebed over de offergaven 149B
Groot dankgebed nr. 167 samen met voorgangers in corona
Na de communie lied 839 psalm 139: Jij bent er altijd voor ons - Gij, Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij
Slotbezinning
Voel de Geest
Voel de Geest
hoe hij gaat waaien,
adem geven en dan weer
vanuit een vreemde luchtlaag
opsteekt.
Hoe hij vonken aanblaast,
die God weet wanneer zijn aangestoken.
Hij, Zij, bron van eeuwen
die blijft spreken, onaantastbaar,
onverwacht steeds,
in een eigen,
ongeschreven taal.
Voel de Geest
die zich niet vangen laat
in voorschriften of regels
want die dromen wekt
en veerkracht.
En die mensen aanstoot
dat zij onbevangen
eigen wegen durven zoeken,
steeds opnieuw en telkens verder.
Waakzaam en vrijmoedig,
warm verbonden
in een toevertrouwen aan elkaar.
Voel die Geest
die ons doet opstaan
tegen alles wat verstarring wekt
en menszijn wil beknotten.
Hou het vuur aan
in je hart en in je ziel.
Laat het Woord je voorgaan
en het tijdloze visioen
van een nieuwe wereld.
Blijf het lied van hoop
veelstemmig zingen.
En vertrouw.
Kris Gelaude
50 jaar Filosofenfontein
