18e zondag door het jaar (2026) – Als brood voor elkaar zijn
Marcel Braekers
Openingszang 543 Eet en drinkt van brood en wijn - Tafellied
Begroeting
Onlangs schreef kardinaal Arthur Roche, hoofd van het dicasterie voor de liturgie, dat het voor leken verboden blijft om tijdens de eucharistie te preken. De motivatie die hij erbij gaf is interessant. Leken mogen dit niet, omdat de preek niet los staat van de eucharistie, zo verklaart hij. Hij vertrekt dus van de idee dat de eucharistie door de priester wordt voltrokken waarbij de gemeenschap slechts deelneemt aan dat gebeuren. Je kan dus vanuit een andere visie de redenering ook omkeren: veronderstel dat de eucharistie een gebeuren is van een hele gemeenschap die viert, weliswaar met een priester als voorganger, maar waar het vieren, het breken en delen van brood, het samen zingen en bidden essentieel is voor het sacramentele karakter, dan is de homilie een opdracht zowel voor de priester als voor de gemeenschap.
Ik maak deze bedenking naar aanleiding van het evangelie van deze zondag. Dat gaat over de broodvermenigvuldiging en bijzonder het moment dat de leerlingen tegen Jezus zeggen dat Hij de menigte naar huis moet sturen zodat ze voor hun eten kunnen zorgen. “Geef gij hun te eten” zegt Jezus. Hij wijst van zichzelf weg naar de leerlingen en zo naar heel de groep dat men voor elkaar moet zorgen. Het verhaal van de broodvermenigvuldiging is altijd in verband gebracht met de eucharistie en dus zit in elke eucharistie ook de opdracht dat we elkaar te eten moeten geven, zorgen en leven met en om elkaar.
Belijdenis 114 God onze Vader wij roepen U (Uit naam van de wereld)
Openingsgebed
Eeuwige God,
Gij Lichtglans en Heerlijkheid,
Alles wat bestaat,
de mensen, de dieren en planten,
Alles leeft in een eeuwig ontvangen
en teruggeven van levenskracht
Stromend uit U, bron van leven.
Wij bidden vragend
Dat het horen van uw Woord en
Het delen van brood en wijn
Ons terug mag brengen in de dichtste levenskring.
Geef ons altijd terug de honger naar brood dat verzadigt.
Inleiding op de lezingen
Terwijl het volk gebukt ging onder de last en de vernedering van de ballingschap en slavernij, droomt Jesaja van een nieuwe tijd en een nieuwe gemeenschap. Die is er niet alleen voor de Joden maar voor iedereen die zich wil zuiveren en wil inzetten voor gerechtigheid. Iedereen is welkom, zegt Jesaja, en er is eten waar je niet voor moet betalen, want het wordt door God gegeven. Zo droomde Jesaja van een messiaanse tijd. Die idee keert terug in het verhaal van de broodvermenigvuldiging.
Jesaja 55, 1 – 3
Lied 519 De steppe zal bloeien
Mattheüs 14, 13 – 21
Homilie
Het verhaal van de broodvermenigvuldiging vind je terug in de vier evangeliën. Dat wijst erop dat dit wonder voor de eerste christenen heel belangrijk was. Maar elke evangelist heeft daarbij nog een eigen accent. Mattheüs plaatst dit verhaal vlak na het relaas van de dood van Johannes de Doper. Die werd onthoofd tijdens het banket dat Herodes voor zijn gasten gaf. Jezus was geschokt door dit gebeuren en wilde zich terugtrekken op een eenzame plaats om te bidden en na te denken. Misschien werd Hij zelfs bang om eenzelfde lot te ondergaan. Maar mensen bleven Hem ook in zijn afzondering volgen. En dan gebeurt dit wonder. Tegenover dat weelderig banket van Herodes plaatst Mattheüs dit sobere verhaal op een verlaten plaats waar niets is, niets te eten of te drinken, alleen mensen die gegrepen zijn om voor elkaar te zorgen en zo teken worden van Gods liefde voor de aarde. Het contrast kon niet groter zijn en geeft zo op een andere manier aan wat voor Mattheüs en zijn gemeente de kern van dit wonder is.
Dit verhaal plaatst Bijbelspecialisten voor een raadsel. Hoe moet je het begrijpen? Wat is de achtergrond en waar wil het verhaal ons brengen? Misschien hadden de leerlingen na de dood van Jezus wel herinnering aan de keren dat ze samen voedsel zochten en ergens in het gras hebben gegeten van het eenvoudige dat ze kregen. Het deed hen zeker terugdenken aan de tijd toen het volk in de woestijn enkel op Gods voorzienige zorg kon vertrouwen, toen er elke dag wat zoete korrels te vinden waren, het manna. Toen kon de groep maar overleven, omdat ze in diepe solidariteit elkaar overeind hielden en bleven vertrouwen. Ook nu zegt Jezus tegen de leerlingen: “Geef gij hun te eten” terwijl er nauwelijks iets is. Vijf broden en twee vissen, het gewone eten rond het meer. Op zichzelf is het niets, maar met Jezus in hun midden wordt het een feest. Dit verhaal gaat met andere woorden niet zozeer over vermeerderen van brood, maar over verbondenheid, over vreugde om het samenzijn in Jezus’ naam.
Terwijl even verder Herodes in zijn paleis een banket geeft, mensen zich volproppen en een onschuldige wordt vermoord, heeft hier een feest van een heel andere orde plaats. Dat moment wilden de leerlingen vasthouden na de dood van Jezus. Die geest wilde ze opnieuw tot leven brengen als ze op de eerste dag van de week samen kwamen om Hem te gedenken.
Laten ook wij elkaar te eten geven en zo Jezus’ liefde weer tot leven brengen.
Groot dankgebed refrein 122 + dankgebed ‘Kom over ons’ in: stilte zingen p. 424
Na de communie 541 Neemt en eet met elkaar, leeft van het oergebaar
