17de zondag door het jaar (2026). Zoeken en (je laten) vinden
Jef Schoenaerts
Opening
Laten we deze viering stellen onder de hoede van onze god die wij noemen:
Vader/Moeder, Zoon en heiligende Geest. Amen.
Met lied 579 brengen we in herinnering waarom onze god telkens opnieuw naar ons op zoek gaat.
Openingslied: “Gij met uw onverwacht woord…” (579)
Waarom bezoekt Gij mij? Waarom roept Gij ons aan?...
Inleiding
Binnenkort maken Liesbeth en ik de overstap van een huis naar een appartement. Na 44 jaar “verzamelen”, keren we ons huis ondersteboven met de vraag: wat nemen we mee, wat niet? Geen makkelijke klus want soms moet je van waardevolle dingen gedwongen afscheid nemen. Tegelijk zijn er ook heel leuke momenten.
Zo troffen we - weggestopt in een boek - twee kleine papiertjes aan. Ik herkende meteen aan het formaat dat het kladpapiertjes waren die de leerlingen vroeger tijdens de examens verplicht moesten gebruiken. Ik had in juni 1993 – de datum stond er op – de regels van toezicht bij de examens overtreden door op zo’n blaadjes aan Liesbeth een briefje te schrijven. Deels ging het over onze houding tav de kinderen, deels over wat schuurde in onze relatie en het eindigde met een soort “liefdesverklaring”. Na 33 jaar kwam dit kattebelletje onverwacht boven water.
Bij het opruimen van ons huis komen er zo twee bewegingen samen: we zijn actief op zoek naar wat waardevol genoeg is om mee te nemen en af en toe bots je op waardevolle dingen die je eigenlijk niet echt zoékt maar die zich laten vinden.
Over zoeken en vinden, over zoeken en je laten vinden, gaat het vandaag ook in de evangelielezing. Al enkele weken horen we hoe Jezus via allerlei gelijkenissen zijn leerlingen sleutels aanreikt om te begrijpen wat het Koninkrijk van de hemel zou kunnen inhouden. Vorige weken hoorden we de gelijkenissen van de zaaier, van het mosterdzaadje, van het zaad en het onkruid. Vandaag gebruikt Jezus drie nieuwe beelden: een schat in de akker, een wondermooie parel en een sleepnet vol vissen. Tussendoor verwijst Jezus maar liefst 7 keer naar het al dan niet begrijpen van die gelijkenissen. Vandaag vraagt hij expliciet: “Hebben jullie dit alles begrepen?” waarop de evangelist de leerlingen een heel kort antwoord laat geven: “Ja”. De aandrang waarmee Jezus de vraag over het begrijpen van zijn gelijkenissen blijft stellen, kan ons best wat voorzichtiger maken eer we zelf antwoord geven.
Laten we het eerst stil maken in en rondom ons en zingen om gods mededogen.
Kyriale “Wees Gij het woord, Gij de stilte” (139)
Gebed
Onnoembare en Nabije,
Niet in het alledaagse,
niet in wat wij al weten zijt Gij;
niet als de wind in onze rug
noch de kroon op wat wij wensen.
Maar vanuit uw verborgenheid overkomt Gij ons
en alleen als wij U overal verwachten
en U in waarheid zoeken,
laat Gij U vinden, heel nabij.
Leg zo op ons beslag met uw liefde.
Onthul ons uw aangezicht
totdat ook wij U kennen als een vader.
Zo bidden wij om hem,
die onze broeder is, uw zoon.
Vandaag en alle dagen van ons leven. Amen.
(Sytze de Vries. Bij gelegenheid (I) pag. 168)
Evangelie
Voorafgegaan door “Open de woorden die geschreven staan…” (124)
Homilie
Op het eind van een hele reeks gelijkenissen over het Koninkrijk van de hemel hoorden we Jezus zonet aan zijn leerlingen vragen: “Hebben jullie dit alles begrepen?” Het antwoord van de leerlingen is een kort en krachtig ”Ja”. Op het eerste gezicht kan je dat bevestigend antwoord van de leerlingen wel volgen. De boodschap over de gelijkenissen van vandaag lijkt immers voor de hand liggend: er is enerzijds de zoeker van een schat, van waardevolle parels en die zoeker, dat ben ik, dat zijn wij. En anderzijds is er de schat zelf/de parel en dat is het rijk van de hemel – of, zoals dat in de andere evangelies luidt, het rijk gods. Geen inspanning is te groot om die schat te vinden. En eens gevonden, heb je er alles voor over om hem te houden. We hebben het begrepen: onze opdracht is te zoeken, wie zoekt, die vindt. Onze opdracht is te geloven, wie gelooft, die wint. Het geloof in het koninkrijk van de hemel voelt in zulke interpretatie aan als een soort levensverzekering: wie de inspanning van het zoeken wil doen, zal vinden en is voor de rest van zijn leven safe.
De Franse theologe Marion Muller-Collard breekt die éénduidige, rechtlijnige lezing van deze gelijkenissen open. Ze wijst daarbij op een verschil tussen beide beelden. In de eerste gelijkenis wordt het koninkrijk vergeleken met een schat: de schat is het vertrekpunt. In de tweede gelijkenis wordt het koninkrijk vergeleken met een koopman: hij is het vertrekpunt.
Waar we de koopman in het verhaal meestal identificeren met onszelf als zoeker, stelt Muller-Collard hier dat met de koopman gód bedoeld wordt. Hij, God, is met passie op zoek naar mooie parels, hij is op zoek naar u, naar mij, naar ons. In haar interpretatie verschuift de focus in de gelijkenis: van de mens die op zoek is naar god, naar god die op zoek is naar mensen. En voor de mensen zelf houdt dat evenzeer een drastische verschuiving van perspectief in: belangrijker dan het zélf zoeken, is het verlangen om gezocht te wórden; belangrijker dan het zélf vinden is er het verlangen om gevonden te wórden.
Naast het traditioneel begrijpen van de gelijkenissen waarin het zoeken van de mens centraal staat, duikt hier een andere ingesteldheid op: een houding van aandacht en ontvankelijkheid voor wat ons – ook tijdens het zoeken – onverwacht kan te beurt vallen.
Dikwijls herhaalt Jezus dat het koninkrijk van de hemel dichtbij is, zelfs midden onder ons aanwezig is. Jezus lijkt die aanwezigheid vrij vanzelfsprekend te vinden, voor mij is dat vaak niet evident.
Zou het kunnen dat de komst van het koninkrijk grotendeels verduisterd blijft zolang we onszelf in dat hele proces centraal stellen, als we eenzijdig gefocust zijn op het zélf op zoek gaan naar de schat? Misschien ervaren we de komst van het koninkrijk pas echt als we naast onze eigen zoektocht ook oog hebben voor wat mét ons, ín ons en áán ons gebeurt.
De twee interpretaties van de gelijkenissen hoeven niet tegengesteld te zijn aan elkaar, ze vullen elkaar welllicht aan: het koninkrijk gods is dichtbij voor wie naar de schat zoekt en tegelijk onthult god het koninkrijk en ook zichzelf aan wie verlangt Hem te kennen?
Op het eind van zijn zoveelste gelijkenis over het Koninkrijk van de hemel vraagt Jezus aan zijn leerlingen “Heb jullie dit alles begrepen?”. Die vraag stelt Jezus ook aan mij, aan ons. Een overtuigd “ja” zoals de leerlingen reageerden, lijkt mij nogal voortvarend. Eerder reageer ik zoals de Emmaüsgangers: “Brandde ons hart niet toen Hij hierover sprak?”
Wat kan ons hart meer verwarmen dan het besef dat ons schamel zoeken geschraagd en versterkt wordt door onze god die lang voor wij het vermoeden ons tegemoet treedt.
In geloofsbelijdenis vier klinkt het “Dat Gij mij zoekt nog vóór ik om U roep…”
Laten we rechtstaan en ons geloof belijden.
Geloofsbelijdenis 4 (nr. 148)
Lied na de kaarsjes: “Heer, zegen dit brood en de wijn…” (149B)
Groot dankgebed: “Gij die mij aankijkt…” (158)
Onze Vader
Communielied: “Het rijk van god… “ (547)
Zegen
