Pinksteren (2026) “Het gebeurt in mij, met mij, aan mij, …”
Jef Schoenaerts
Iedereen krijgt een kaarsje bij het binnenkomen.
Verwelkoming
Pinksteren: dag van wind en vuur, van verbazing en verwarring, van in mij, met mij, aan mij. Laten we ons hart openzetten en de Geest met vreugde verwelkomen: Hem die wij in één en dezelfde adem vernoemen: Vader/Moeder, Zoon en heilige Geest. Amen.
Met Pinksteren sluiten we de paastijd af. Vandaag wordt ons de Geest geschonken om Jezus als Levende blijvend in ons midden te weten. Laten we daarom – zoals in de paasnacht – het vuur van de paaskaars opnieuw aan elkaar doorgeven als teken van de Geest onder ons
Het licht van de paaskaars wordt rondgedeeld waarbij we zingen
“Dat wij volstromen met levensadem”.(366)
Ieder brengt zijn kaarsje naar voor bij het altaar.
Inleiding
Ken je het zinnetje “Ik vraag het aan.”? Het betekent hetzelfde als “Wil je mijn lief zijn?” Zou er in onze taal één zinnetje bestaan waarmee een mens zich meer bloot geeft naar een ander toe dan met ”Ik vraag het aan.”? Wie dat zegt, riskeert heel wat. Hij/zij bevindt zich op een slappe koord: je kan als antwoord immers een zoen – of nog beter: een reeks zoenen - krijgen en dan ben je de koning te rijk, je kan – als je de situatie verkeerd hebt ingeschat - ook een blauwtje lopen en met de staart tussen de benen moeten afdruipen. Ik herinner mij nog goed mijn eigenste “Ik vraag het aan.” Liesbeth en ik stonden – na vier jaar Leuven - op het punt elk onze eigen weg te gaan. We voelden alle twee dat de onuitgesproken vraag zich opdrong: “Zullen we elkaar voortaan nog enkel occasioneel zien of willen we elkaar blijven opzoeken en gaandeweg proberen ontdekken of we bij elkaar horen en definitief voor elkaar kiezen?... Er hing iets in de lucht dat zich niet zomaar liet vatten. Gelukkig bestaat er voor zo’n situatie dat kleine zinnetje “ ik vraag het aan”! De dagen nadat ik het had aangevraagd, kreeg ik het tegelijk warm en koud. Ik was blij en tegelijk verrast over haar “ja” want ja: wie ben ik… Tegelijk was ik verbaasd over mijzelf want: hoe heb ik dat gedurfd? Wat heeft mij bezield om dat te vragen? Ik was verward, onzeker en verrast: heb ik dat echt gevraagd? Ja, ik heb dat gevraagd. Nee, dat kan bijna niet. Toch, toch, ik heb het gevraagd. Het is effectief zo. En… ze heeft “ja” gezegd.
Gebeurde er in het Pinkstergebeuren niet iets gelijkaardig met de joden die samentroepten rond de apostelen. Verbazing, verbijstering alom: ook zij voelden dat er iets in de lucht hing, iets dat hen overkwam waar ze zelf geen meester over waren, waar ze zelfs geen taal voor hadden. Er bleek Iemand die hen riep, die hen liet verstaan “Ik vraag het aan”: laat je mij toe in je leven? En onverwacht werden ze meegenomen in een nieuw levensverhaal waarin taal geen barrière vormde, waar hun afkomst of cultuur geen hinderpaal vormde
Op deze Pinksterdag staan we stil bij dat oud verhaal omdat we voelen dat we er affiniteit mee hebben, dat we ook vandaag nog betrokken partij zijn in wat toen gebeurde. Zou die Geest ook nu met ons delen waar we nauwelijks taal voor hebben? Leeft in ons ook het verlangen om nieuw te worden, om begeesterd te worden, om gedragen te worden door Iemand die groter is dan onszelf?
Laten we eerst zingen opdat we zouden aanvoelen dat de Geest al met ons begonnen is. En we doen dat met een canon: de liedvorm
waarin het begeesterende ingebakken zit,
waarin sommigen voorop lopen en anderen volgen en we elkaar voortstuwen,
waarin we door de herhaling in ons enthousiasme wel lijken te struikelen over de woorden.
Lied: “Blijf niet staren op wat vroeger was … het is al begonnen, zie je het niet?” (566)
Gebed
Onnoembare en Nabije,
Onbekende bekende,
Geest van god,
Alles wat leeft, ontvangt zijn groeikracht van U,
vreemd en onbenoembaar is uw werking,
diep verborgen in ieder van ons
als een gist, een zaad van vuur.
Onze levenswil zijt Gij,
de liefde die ons vasthoudt hier op aarde
en die ons bindt aan onze God.
Gij spoort ons aan om tot het einde te gaan
en alles uit te houden,
om alles te verdragen, om alles te hopen,
zoals de liefde doet.
Amen.
Inleiding op de lezing
We luisteren nu naar het verhaal over het Pinkstergebeuren uit de Handelingen van de apostelen. Merk daarbij op hoe de evangelist de kracht van het pinkstergebeuren oproept door het fysieke en het emotionele bij de aanwezigen te beklemtonen…
Lezing: Handelingen 2,1-11
Homilie
De geest waarover sprake in het verhaal lijkt een overrompelend effect te hebben op de aanwezigen zowel fysiek als emotioneel. Lucas vertelt hoe de apostelen in al hun zintuigen zijn kracht ervaren: ze horen gedruis, voelen een soort tornado, zien vuurtongen rondom.
En de samengestroomde Joden raken emotioneel ondersteboven: ze zijn “verbaasd, verbijsterd, van hun stuk gebracht.” Iedereen wordt in zijn totale persoon aangesproken.
Elk van ons kent in zijn leven wel fasen of belevenissen waarbij je – soms pas achteraf –denkt: wat of wie heeft mij bezield om dit zo aan te pakken, om deze nieuwe stap te zetten?
Geloven is bij uitstek een domein waarbij je heel veel niet in eigen hand hebt, waarbij je uitgedaagd wordt om het onverwachte, het onvermoede toe te laten. In mijn persoonlijk geloofsleven overkomen mij ervaringen waarvan ik – vaak achteraf – zie: dit doe ik niet uit mijzelf, dit gebeurt aan mij, daar werkt een kracht in mij die mij zelfs brengt waar ik uit mijzelf niet zou heengaan. Ik schets kort drie domeinen waar ik dit ervaar.
- In mijn geloofsleven speelt het ethische een grote rol. In mijn jeugd werd mij ingepeperd dat geloof bestaat uit je inzetten voor anderen. Engagement in de kleine kring en in de grote wereld: dáárover ging het. Gaandeweg is geloven veel meer gaan betekenen maar aan mijn geloofsopvoeding heb ik wel een innerlijk dwingend stemmetje overgehouden dat mij aanport tot engagement ook al sleep ik soms met de voeten. Oei, weer een betoging rond een terechte bekommernis, oei, een petitie die je kan helpen verspreiden of een zoveelste oproep van een ngo om financiële hulp of weer een vraag om een taak bij te nemen in het schoolbestuur….. Als ik zakelijk blijf, heb ik soms zin om te zeggen: ik doe hier nu niet aan mee, laat me gerust, ik voel dat het belangrijk is maar ik trek het niet over mijn hoofd. En vaak hel ik toch over naar ja! Is hier misschien toch de Geest aan het werk die bij aarzelingen op mijn schouders tikt en mij onuitgesproken aanport: doe dat nu maar….
- In mijn geloofsleven speelt deze kapelgemeenschap een grote rol. Zo sterk dat dat ik soms misnoegd ben als bv. een familiebijeenkomst al start op mijn “heilige” zondagvoormiddag. Hoe durven ze dat van mij afnemen! Ja, wat nemen ze mij eigenlijk af ? Ik vermoed dat het temaken heeft met het zinnetje uit de Handelingen: “Allen werden vervuld van de heilige Geest.”. Als we samen zingen, luisteren, bidden, het Onze Vader uitspreken, de vredeswens delen ontstaat hier een gedragenheid die mij warm maakt van binnen. Zonder dat ik daar verdienste aan heb, krijg ik levensadem, inspiratie, raak ik bezield en heel vaak ga ik begeesterd naar huis. Ooit waren de apostelen voor hun joodse toehoorders het doorgeefluik van de Geest. Vandaag ervaar ik deze kapelgemeenschap als die inspirerende bemiddelaar.
- In mijn geloofsleven speelt meditatie en bidden evenzeer een rol. Die momenten begin ik altijd met de overweging van de zin: “Ik sta aan de deur en klop.” Drie gedachten laat ik daarbij in mij doordringen:+ Het eerste woord “Ik” roept relatie wakker waardoor ik Hem “Gij” mag noemen. Ik weet rationeel wel dat ik god onrecht aandoe als ik Hem herleid tot een persoon. Soms excuseer ik mij daarvoor bij Hem met de boodschap dat Hij het wel zelf in gang heeft gezet: het mysterie van de incarnatie – god zo menselijk in ons midden – komt immers van Hem zelf…+Tweede gedachte. Mijn god zegt mij: “ ik sta aan de deur”. Ongelooflijk maar waar: god komt zelf naar mij toe en komt zo dichtbij dat enkel nog de gesloten deur ons van elkaar scheidt. Hij is de eerste die beweegt: lang voor ik aan Hem denk of naar Hem toestap, heeft Hij al de eerste stap gezet. Hij vindt het dus de moeite waard om mij op te zoeken. + Derde gedachte. die god komt naar mij toe en “klopt op de deur”. Hij breekt niet binnen als een deus ex machina, Hij is geen god die mij dwingt. Nee, hij klopt en wacht tot ik beslis de deur te openen. Hij geeft mij zoveel vrijheid dat hij zelfs het risico loopt dat ik niet open doe.
“Ik sta aan de deur en klop.” Ik hoor daarin: jij bent mij zoveel waard dat ik het met jou wil riskeren. Ik voel hierin de Geest gods die in kwetsbaarheid naar mij toekomt en ahw zegt “Ik vraag het aan”. Die liefde en dat groot vertrouwen waarmee god mij benadert en omringt, maakt mij tegelijk heel klein en heel groot. Het maakt mij sprakeloos. En enkel een kracht van buitenaf kan mij uit die stomheid, die onmondigheid verlossen. Gelukkig is er de apostel Paulus die mij daarin de weg wijst. In zijn brieven benoemt hij hoe de Geest ruimte schept in ons bidden. In meerdere brieven onthult Paulus ons dat de Geest zelf in ons roept: “Abba, papa!”. En in zijn brief aan de Romeinen (8,26-27) zegt Paulus het nog explicieter: “De Geest helpt ons in onze zwakheid. Wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten.” Paulus openbaart ons dat het de Geest is die in ons bidt zelfs als ons de woorden ontbreken.” Van mij wordt enkel verwacht, verhoopt dat ik op mijn beurt laat verstaan: “Ik vraag het aan.”
De Geest, die onbekende bekende.
Hij is het die in ons het verlangen wekt “… om te mogen zijn wat wij in uw ogen zijn” en die in ons tot leven brengt “…wat nog in het verborgene is en groeit in pijn.”. Hij is het die ons taal van ontmoeting aanreikt, de woorden voorbij.
Laten we ons hart openzetten en hem met vreugde verwelkomen. Hoe kan je dat krachtiger doen dan door het uit te zingen: “Kom in mij, win, ontwapen mij, zie mij, doe mij aan…”
Lied “Kom in mij…” (563)
Groot dankgebed: “U zingen wij dank” (168)
Onze Vader
“Laat uw aangezicht over ons lichten” (191)
Communiemuziek
Voorbeden met als acclamatie tussenin : “Dat wij volstromen met levensadem…” (366)
“Die in de stilte sprak, het noodlot onderbrak en nieuwe wegen baande…”
Mensen dragen hun lot soms alsof het het noodlot is:
als blinden gaan we oorlog tegemoet,
als doven staan we niet open voor het lied van de ander,
als onmondigen verzetten we ons niet tegen onrecht.
Kom, Geest, daag ons uit om met open oog en oor te speuren naar nieuwe wegen van vrede en
geweldloosheid, van recht en mededogen. Spreek tot ons in de stilte van ons hart.
“Dat wij volstromen …. en schreeuwen eindelijk geboren.”
“De stok die ons regeert, de dood zal zijn gekeerd, wij zullen mensen zijn.”
Mensen onderwerpen zich – bewust, onbewust – aan wat hen onvrij maakt
aan een werkritme dat geen ruimte laat voor aandacht voor elkaar,
aan de drang naar steeds meer, steeds rijker, steeds overvloediger
aan het brood en spelen dat de media ons voorschotelen.
Kom, Geest, daag ons uit om het juk af te werpen waarmee wij gekluisterd zitten aan onze behoeften, aan onze vastgeroeste ideeën, aan zoveel schone schijn. Maak ons tot vrije mensen.
“Dat wij volstromen …. en lachen eindelijk geboren.”
“Dat vuur van het begin, wij ademen het in, Gods woord dat antwoord vraagt.”
Mensen raken soms de adem kwijt, verliezen hun levensmoed, het vuur van het begin.
Als moedeloosheid en wanhoop ons gelaten maakt en we het status quo aanvaarden,
Als de anderen ons teleurstellen en we niet langer geloven in de kracht van de groep,
Als we terugplooien op onszelf omdat weerstand en onbegrip ons verlamt.
Kom, Geest, herschep ons hart, heradem ons verstand, dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Maak ons tot uw gemeente, wees de stem die ons geweten wekt. Verberg U niet.
“Dat wij volstromen …. en weten eindelijk geboren.”
Slotlied: “Het lied van vandaag en morgen” (395)
Zegen
