14e zondag door het jaar (2026) Geopenbaard aan onmondigen
Marcel Braekers
Openingszang 546 Lied over de plaats - Zomaar een dak boven wat hoofden
Begroeting
Hoe ga ik het vandaag moeten aanpakken, vroeg ik mij deze week af. In het evangelie prijst Jezus zijn Vader, omdat zijn boodschap niet bestemd is voor wijzen en verstandigen. Maar zie mij hier staan voor een select gezelschap van allemaal verstandige en soms zelfs wijze mensen. Blijft voor jullie het Grote Nieuws verborgen en kunnen we best de dienst hier afsluiten? De Blijde Boodschap is bestemd voor de nèpioi zegt Jezus, maar wie zijn ermee bedoeld en hoe moet je het woord vertalen? In de oude Bijbelvertaling vertaalt men dit als ‘kinderen’ of ‘eenvoudigen’, Gnilka noemt hen ‘die Unmundigen’, de TOB vertaalt het als ‘les tout-petits’, maar wie zijn die heel kleinen, toch niet de babytjes. Elders in het NT spreekt men van de oligopistoi ‘de kleingelovigen’. Zou het om dezelfde mensen gaan die in de Bergrede ‘de armen van geest’ worden genoemd, degenen die niets of niemand meer hebben waarop ze kunnen rekenen? En belangrijk ook: gaat het om een groep mensen of om een soort van ingesteldheid? En is het in dat geval toch mogelijk dat je heel verstandig zijnde bij deze groep kunt horen? Misschien denkt u: wat een muggenzifterij met al die woorden. Maar via de beste vertaling ben ik op zoek naar wat de juiste ingesteldheid is om het Grote Nieuws te horen. Daarover gaat de viering van deze zondag.
Bidden om ontferming 115
Gebed
Mattheus 11, 25 – 31
Lied 578 als gij naar de woorden luistert
Homilie
“Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven.” Ik heb het altijd een troostende en ontroerend uitspraak gevonden. Het volk was uitgeput, leeg en zonder houvast, Jezus reageert empathisch en liefdevol. Hij spreekt over het opnemen van zijn juk. De Schriftgeleerden gebruikten dit beeld om de Thora te benoemen. Maar dit juk was een drukkende last voor het gewone volk. Paulus formuleerde het haarscherp: de Wet zegt alleen nog waar ik faal, maar geeft me geen perspectief. Jezus beschrijft zijn juk als licht, omdat Hij zachtmoedig en nederig is. Zacht en nederig staat hier tegenover wijs en verstandig. Daarmee reageert Jezus fel want met de wijzen waren de Farizeeën en met de verstandigen de Schriftgeleerden bedoeld. Elders zegt Jezus dat ze zware lasten op de schouders van hun medegelovigen leggen, terwijl ze zelf erboven staan.
Voor wie is dan wel het Grote Nieuws dat Jezus brengt? Niet voor de succesvollen, niet voor degenen die zich perfect hebben ingepast in deze wereld, maar voor de onmondigen, voor wie het leven uitzichtloos werd, voor degenen die zich verpletterd voelen door schuldgevoel, voor de psychisch gekwetsten, voor wie revolteert, enz. Is dat ook zo in de praktijk?
Het doet bij mij de vraag opkomen wat er met het christendom is gebeurd zodat deze oorspronkelijke boodschap naar de achtergrond schoof. Hoe kon het zover komen dat de meest succesvollen zich als de echte christenen gingen beschouwen? Denk maar aan de Gouden Eeuw waarbij de geslaagde zakenman zeker was van Gods uitverkiezing precies omdat hij succesvol was. In de eerste eeuwen van het christendom daarentegen waren het vooral slaven en marginalen die voor het christendom kozen, omdat ze zich identificeerden met de lijdende Christus. Maar toen in latere tijden het christendom staatsgodsdienst werd, bestond de groep vooral uit mensen van de burgerij, zeg maar de wijzen en verstandigen, en was het vooral het beeld van de pantocrator en niet dat van de lijdende Christus dat werd vereerd. Wat was men verloren?
Ik keer terug naar wat Jezus in het evangelie zegt: de Blijde Boodschap is voor de nèpioi, de armen van geest, de verloren zoon, het afgedwaalde schaap, de overspelige vrouw, enz. En het gaat dan niet zozeer om een bepaalde sociale groep, maar om de mens die zich herkent in deze personen. Welkom ben je ‘als je vermoeid bent en onder lasten gebukt gaat’. Dat vraagt veel nederigheid en zelfkennis.
Groot dankgebed 156
Na de communie 890 geprezen de God van Israël
