251109 Hij joeg ze allemaal de tempel uit.

 30e zondag (2025) - Hij joeg ze allemaal de tempel uit. (Joh 2,15) 

Lut Saelens

Lied 103: Gezegend deze dag.

Begroeting

We leven in een tijd van veel op alle gebied. Continu wordt ons voorgespiegeld wat we allemaal nodig hebben, welke nieuwe producten en diensten we zeker eens moeten uitproberen en al het interessante dat we niet mogen missen. Daarnaast worden we overbevraagd, want ook in onze maatschappij zijn nog zoveel noden onbeantwoord.  

Met heimwee denk ik terug aan de tijd dat ik op weg naar Compostella met al mijn spullen voor 3 maanden in een rugzakje elke dag als enige bekommernis had van punt A naar punt B geraken tegen de avond. Toen heb ik ten volle ondervonden wat uitzuiveren betekent en hoe het de weg opent naar het heilige, naar de kern van ons bestaan. Maar terug in het gewone leven ervaarde ik hoe moeilijk het was om mij daarvan bewust te blijven en daaraan vast te houden. Hoewel ik een hekel heb aan veel, stel ik vast dat ik drie boeken tegelijk lees, geabonneerd ben op 5 online kranten en tijdschriften, en hoewel met pensioen nog een volle agenda heb. 

Het evangelie van vandaag roept mij terug bij de les. 

Bidden we God om licht wanneer we steeds weer blijken de weg kwijt te raken.

Lied 133: Door U, Heer, weet ik mij gedragen

 

Openingsgebed: Lead, Kindly Light Henry Newman, vertaling Adelbert Denaux

Leid, vriendelijk licht, te midden ’t duister dat me omringt,
leid Gij mij voort !
De nacht is donker, en ik ben ver van huis –
leid Gij mij voort !
Richt Gij mijn voet; ik vraag niet om te zien
De verre einder – één stap is mij genoeg.

Ik was niet altijd zo, noch bad ik dat Gij mij voort zoudt leiden;
Ik verkoos mijn eigen weg te banen en te zien, maar nu –
leid Gij mij voort !
Ik verkoos het felle daglicht en, alle vrees ten spijt,
de hoogmoed beheerste mijn wil: herinner U niet voorbije jaren.

Zo lang heeft uw macht mij gezegend,
ze zal me zeker verder leiden !
Door heide en ven en over rots en vloed,
totdat de nacht is heengegaan;
en met de morgen ’t gelaat der engelen glimlacht
die ik sinds lang heb liefgehad, en voor een tijd verloor.

Inleiding tot het evangelie

In Jezus’ tijd was men ver verwijderd geraakt van het eren van God in een simpele tent. De tempel van Jerusalem was het centrum van de Joodse samenleving, waar
men tijdens de grote feesten vanuit alle windstreken naartoe kwam. We lezen dat het kort voor het Joodse paasfeest was. In het voorhof van de tempel, waar ook de  heidenen mochten komen, was het een drukte van jewelste: de kreten van de  angstige offerdieren, verkopers en geldwisselaars die boven al het lawaai uitschreeuwden…De tempel was verworden tot een marktplein en de  offerpraktijk tot een economische transactie om God gunstig te stemmen. Jezus kan het niet langer aanzien. Hij jaagt de kooplui en hun koopwaar met een zweep de tempel uit. De tempel is de ontmoetingsplaats tussen mens en God. Dat wil Jezus rechtzetten.
Al heel vroeg in zijn evangelie legt Johannes een verband tussen de tempelreiniging en het besluit van de overheid om Jezus uit te schakelen. Bij het gewone volk deed zijn gedurfde optreden de verwachting naar een Messias weer hoog oplaaien. 

Joh 2,13-22

Het verhaal van de tempelreiniging kan op verschillende manieren worden geduid. De visie van Eckhart in zijn preek hierover spreekt mij bijzonder aan. Eckhart ziet de tempel als de ziel van de mens, waar God enkel in de leegte kan geboren worden. Wanneer de ziel vervuld is van wereldse zaken-begeerten, eigenbelang, onrust- is er geen ruimte voor God. Jezus jaagt alles uit de tempel weg wat het pad naar innerlijjkheid en ontmoeting met het goddelijke verspert. Hij roept ons op tot radicale innerlijke zuivering, tot loslaten van onszelf en alles wat ons bindt, zodat we ontvankelijk kunnen worden voor het heilige, het goddelijke. Dit leegmaken gaat niet vanzelf. Soms moeten we behoorlijk dooreengeschud worden om de relativiteit van alles waar we zo aan vastzitten in te zien: door een crisis, een bedreigende ziekte, een pijnlijk verlies… In een interview in het programma ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ vertelt  Reginald Moreels  dat hij gedurende  7 jaar leed aan anorexie. Na de hele wereld te hebben afgereisd als chirurg in oorlogsgebied werd hij gedwongen alles stop te zetten, naar binnen te keren en anders te gaan leven. Hij gebruikt de term ‘bestaanswaarheid’

Wanneer Jezus zegt: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem weer opbouwen,” verwijst Eckhart naar de uitzuivering, de opstanding en de transformatie van het menselijk bewustzijn. De fysieke tempel is vergankelijk, maar de geestelijke tempel — Christus in ons — is eeuwig.

Dichter bij onze tijd vinden we eenzelfde benadering terug bij de Franse mystica en filosofe Simone Weil: Haar inzet voor arbeiders, vluchtelingen en slachtoffers van oorlog was radicaal en belangeloos. niet uit plicht, niet vanuit een offerbereidheid, maar vanuit een spirituele vrijheid die ontstond in het loslaten van zichzelf. Weil beschouwde de leegte—het afzien van ego, macht en zelfs identiteit—als de bron van ware vrijheid en liefde. Ze schreef: ‘De aandacht die voortkomt uit leegte is de zuiverste vorm van liefde.’ 

Ook in de Oosterse spiritualiteit staat het belang van uitzuivering centraal:  belangeloze inzet komt niet voort uit moreel plichtsbesef, maar uit een fundamentele vrijheid die ontstaat in leegte, in de afwezigheid van ego. Als er geen ‘ik’ is, is er ook geen ‘ander’. Alle wezens zijn onderling verbonden. 

Thich Nhat Hanh heeft het over handelen vanuit leegte en aanwezigheid. Hij werd wereldwijd bekend door zijn vredeswerk tijdens de Vietnamoorlog. In plaats van partij te kiezen, riep hij op tot compassie voor alle betrokkenen, ook de daders, want in zijn ogen zijn we allen én dader én slachtoffer. Hij richtte de “School of Youth for Social Service” op, waar duizenden vrijwilligers hulp boden aan oorlogsslachtoffers—niet uit politieke overtuiging, maar uit een diep besef van verbondenheid.

In de stilte, waar het zelf oplost, ontstaat een liefde die niets vraagt. Geen gemarchandeer, geen beloning, geen erkenning voor bewezen diensten. Alleen de hand die reikt, het oog dat ziet, het hart dat klopt. Er groeit een dieper besef van de werkelijkheid dat uit is op essentie. Wat gefragmenteerd en buiten ons leeft vraagt in die stilte om eenheid, verankering en verwerking. Vandaaruit ontstaat verbondenheid en medeleven.  

Zo maken we van de wereld en onze ziel een tempel waar God kan wonen.

Lied 149: Oergebaar

Tafelgebed: 167

Na de communie: lied 556 Waarom wanneer uit welke luchtlaag

Slotgebed

Ik dacht dat ik moest kiezen. Tussen goed en kwaad. 
Tussen doen en laten. Tussen blijven en gaan.
Maar toen keek ik. Niet met mijn ogen-met iets dat dieper lag. 
En daar was jij. Niet als een vraag. Niet als een schuld. Maar als een gelaat.
Ik heb geen plicht om lief te hebben, verdien er geen beloning voor, geen naam.
Maar ik zie het gelaat van de Ander, en het spreekt mij aan vóór ik antwoord. 
Ik ben niet de oorsprong van mijn liefde— ik ben haar gevolg.
En ik weet: ik ben niet vrij voordat ik jou echt zie.
Ik wilde springen. Niet uit moed. Niet uit geloof.
Maar omdat de grond onder mijn voeten niet meer sprak. 
En de leegte-de leegte fluisterde: ‘Hier begint het’.
Laat mij springen in het duister, niet uit moed, maar uit overgave. 
Laat mij liefhebben zonder te weten waarom, zonder te begrijpen, zonder te bezitten.
Laat mijn handen reiken, niet om te redden, maar om aanwezig te zijn. Laat mijn hart open zijn, niet uit goedheid, maar uit leegte.
Laat mij leeg zijn. Zodat ik kan liefhebben zonder waarom.

Amen.

 

Contactinformatie

©2005-2024 Filosofenfontein

✉️   info@filosofenfontein.be

Ondernemingsnummer: 0775.603.387

Bankgegevens:"FIFO Heverlee" 

KBC: BE11 7340 3906 5848

Volg ons op Sociale media

QR Code

Door je camera op deze code te houden krijg je het adres van deze website op je smartphone of tablet. Dan kan je de hele website bekijken.