24e zondag (2025) “Geroepen tot vrijheid”
Jef Schoenaerts
Welkom
Laten we hier samenzijn in de naam van onze God die wij noemen Vader/Moeder, Zoon en heiligende Geest. Amen. “Gij die voor alle mensen ruimte geschapen hebt: doe ons een toekomst dagen, wijs ons de levensweg”.
We openen de viering met lied 516
Openingslied “Gij die voor alle mensen…” – 516
Inleiding
Vandaag lezen we een overbekend verhaal dat we kennen onder de titel “de verloren zoon”. Zoals vaak bij gekende verhalen, voelde ik het bij de voorbereiding eerst aan als een wat versleten feel good story: de rebelse zoon trekt er met zijn erfdeel vandoor, komt na veel miserie tot inkeer en wordt met open armen door vader ontvangen. Eind goed, al goed! Alhoewel: als lezer blijft de vraag of de oudste zoon naar het feest gaat of blijft steken in zijn boosheid…. Ondanks dat open einde luidt in een traditionele interpretatie de moraal van het verhaal: grootmoedigheid tegenover wie zich bekeert, is prijzenswaardig, is van goddelijk niveau.
Het verhaal is echter ook anders leesbaar. Laten we de lezing starten bij de erfeniskwestie die ons heel vertrouwd in de oren klinkt. We kennen allemaal gezinnen waarin na een overlijden de verdeling van de erfenis de katalysator is van ongenoegen, miskenning, jaloezie, die al langer sluimeren tussen de kinderen. En waar dat zo is, vormt de verdeling van de erfenis meestal een nieuwe bron van langdurig conflict.
In het evangelieverhaal staat echter de erfenis op zich niet centraal maar wel wat het bij de betrokkenen losmaakt. En het evangelie zou geen Blijde boodschap zijn als het ons niet een zicht zou bieden op hoe god zelf de omgang tussen mensen droomt en stuwt.
Concreet stelde ik mij de vraag: hoe gedragen en hoe voelen de twee broers zich bij het conflict, op welke manier beïnvloedt de vader de relatie tussen beiden en tenslotte ook: wat doet dat alles met de vader zelf.
Om daar zicht op te krijgen kan enige fictie ons misschien helpen. We gebruiken daarbij het principe van eenheid van tijd, plaats en handeling.
Tijd: de avond na het feest voor de terugkeer van de jongste zoon;
Plaats: de broers liggen in bed en overlopen wat er die dag is gebeurd;
Handeling: elke broer schrijft een brief naar vader. Vader schrijft naar de zonen. Keren we ons bij het begin vd viering tot onze god om te bidden om ontferming.
Bede om mededogen: “Heer onze Heer, ontferm U over ons” - lied 113
Gebed
Gij die het sprakeloze bidden hoort
achter de woorden die wij tot U roepen.
Gij die de mensen ziet zoals geen mens.
Gij die uw woord in ons hebt neergelegd
in den beginne als een bron van weten.
Gij die ons hebt geschapen naar U toe.
Wek onze kracht, vuur onze hartstocht aan,
heradem ons dat wij in U volharden.
Doe lichten over ons uw lieve Naam.
(H. Oosterhuis)
Evangelielezing: Lucas 15,11-32
Brief van Jan, de jongste zoon, aan zijn vader
Lieve papa,
Wat een welkom heb je mij gegeven! Ik genoot van het gemeste kalf en vergat zo het varkensvoer dat ik lange tijd at. Ik kreeg het mooiste kleed waardoor de lompen in de vuilnisbak zijn beland. Ik lig nu in een warm, zacht bed en hoef niet langer in openlucht te slapen. En het strafste: ik kreeg geen bolwassing of een preek vol verwijten. Meer nog: je gaf mij niet de kans schuld te bekennen, spijt te tonen, vergiffenis te vragen. En dat alles nadat ik jou zo sterk had gekwetst bij het opeisen van mijn erfdeel. Hoe kan ik jou ooit bedanken voor die overweldigende ontvangst?....
En toch: ondanks al die geschenken wringt er iets. Of juister: niet “ondánks” die ontvangst maar net dóór die ontvangst wringt er iets. Want wat jij deed, overtreft elk verwachtingspatroon. Wat moet ik ermee? Het maakt mij ongemakkelijk. Bedenk eens: hoe kijken de knechten hier naar mij? Zij weten hoeveel verdriet en onrecht ik jou heb aangedaan. Hoe kan ik hen opnieuw onder ogen komen? Om nog te zwijgen over mijn broer. Hoe moet hij zich voelen?.... Hij verweet jou je generositeit en keerde zich van jou af. Maar dat is wellicht klein bier vergeleken bij hoe hij mij bekijkt.
Hoe kan ik hiermee omgaan? Ik kan morgen de draad toch niet zomaar terug opnemen en doen alsof alles terug “normaal” is?... Je hebt mij zoveel krediet gegeven, zoveel nieuwe levensruimte geboden, mij zoveel vrijheid gegeven, dat het mijn verantwoordelijkheid en mijn krachten dreigt te overstijgen, dat het mij zelfs angstig maakt.
Zou het helpen als ik een nog maar een fractie van jouw generositeit, jouw mededogen tot de mijne kan maken?....
Lied: “Ik zoek bij jou…” – lied 757
Brief van Piet, de oudste zoon, aan zijn vader
Dag papa. Wat een dag was dit! Ik voel me nog steeds ontzettend boos op jou.
Besef je wel dat ik nu al drie keer vernederd ben? Als oudste moest ik altijd het goede voorbeeld geven en daarbij vaak opdraaien voor wat niet in orde was. En steevast kreeg ik van jou de boodschap “ jij bent toch de oudste!...” Jan heeft zijn deel erdoor gejaagd. En bij terugkeer overlaadt je hem met een feest, dure kledij en juwelen. Trouwens: van wiens erfdeel worden de kosten daarvoor betaald, denk je?... En nu komt meneer zomaar binnenwandelen zonder dat jij hem afrekent op zijn gedrag. Waar blijft de rechtvaardigheid in dit alles?... Bovenop die drie vernederingen, haalde je het nog in je hoofd mij uit te nodigen om mee aan tafel te gaan en te feesten!... Ik kón het niet. Ik kon niet ingaan op je vraag. Je kan mijn gedrag toch begrijpen?
Er is trouwens iets in joúw gedrag, papa, dat ík helemáál niet begrijp. Jij hebt mij wel degelijk úitgenodigd mee te feesten, je hebt mij er echter niet toe verplicht hoewel je dat als mijn vader wel had gekund. Hoe meer ik erover nadenk, hoe straffer ik het vind: je hebt naar mijn woedeuitbarsting geluisterd en je hebt je eigen houding van sterk mededogen naar mijn broer toegelicht. Maar daarna heb je mij totaal vrij gelaten om zelf een keuze te maken. Je hebt mij niet boos en dwingend toegesproken en mij niet de arm omgewrongen om overstag te gaan. Je hebt wel het risico genomen dat ik het tegenovergestelde zou doen van wat jij hoopte. Ik begrijp niet hoe jij zo vrij met mij omgaat. Kan ik boos blijven op jou nu ik stilaan besef welk geschenk jij mij aanreikt? Toen je mij gisteren kwam uitnodigen voor het feest zei je mij: “Je broer was dood en is weer tot leven gekomen.” Hoe ontnuchterend is het besef dat nu bij mij groeit: net als mijn broer was ook ik dood maar dan door verbittering en woede. En het is alsof de vrijheid die jij mij hebt geboden om zelf mijn weg te gaan, mij de kans geeft om terug te keren tot het leven. Ik hoop dat jij nu twee zoons, die elk op hun manier verloren waren, kan verwelkomen.
Lied “Die mij getrokken uit de schoot” – lied 569 (inleiding: “Die toen ik neerlag in het stof…”)
Commentaar
Er zijn nog wel meer brieven te schrijven tussen alle partners van het gezin. Wie weet, misschien was er ook een moeder die de pen zou willen vastnemen…
Wat de twee zoons gemeenschappelijk hebben, is hoe ze bewogen worden door de vrijheid diehun vader hen geeft. Vader houdt de jongste niet tegen in zijn rebellie en laat hem vrij vertrekken. En vader dwingt de oudste niet tot een gehoorzaamheid maar nodigt hem enkel uit tot het feest. Beiden staan versteld van de generositeit, de vrijheid die ze ervaren, een geschenk dat boven hun maat uitreikt, een geschenk dat ze aanvoelen als een goddelijke maat. De vader lijkt door zijn handelen wel een soort vroedvrouw die in zijn zonen aanboort wat ze bij zichzelf niet voor mogelijk houden. Hij wekt in hen een innerlijke vrijheid die hen vrijmoedig maakt, hen vrij maakt even moedig, even grootmoedig te zijn als hijzelf.
Dit verhaal maakt brandhout van het cliché over geloven en gelovigen.
Geloof is geen blinde gehoorzaamheid aan een oordelende god. De god van het christendom is een god die mensen net vrij maakt, hen niet dwingt maar uitnodigt, hen niets oplegt maar een appel uitstuurt. Het verhaal roept bij mij een zinnetje uit de openbaring van Johannes op dat mij heel dierbaar is. God zegt daarin” Ik sta aan de deur en klop.” Onze god is aanwezig, is betrokken op mensen, maar overweldigt hen niet: hij klopt en wacht, biedt zich aan, forceert niets en durft zelfs het risico lopen dat de mens de deur niet opent. Zo is een gelovige een vrij mens die verantwoordelijk blijft voor zijn eigen leven. In de brief aan de Galaten geeft Paulus de leden van die gemeente mee dat zij “geroepen zijn tot vrijheid”. Dat herkennen we in Jezus in wie een verbijsterende vrijheid leefde.
Met zulke vrijheid naar goddelijke maat mogen ook wij ons leven uitbouwen.
Offergang: “Oergebaar” lied 149
Groot dankgebed: “Gij zijt het…” – 167
Onze Vader
Communie Muziek
Communielied: “Naar U gaat mijn verlangen, Heer” – Lied 725B
Brief van de vader aan beide zoons (geschreven door Luc De Saeger)
Dag jongens,
Dank voor jullie brieven. Ik wil op mijn beurt mijn hart met jullie delen. Toen jij, Jan, me vroeg om jouw erfdeel nu al te geven, heb ik dat gedaan omdat het dit was wat jij nodig had om je weg te gaan, om je vrij te maken van thuis, om ervaring op te doen. Ik gaf wat jij nodig had. En jij, Piet, hebt net hetzelfde gekregen als je broer. Maar jij had daar op dat moment geen behoefte aan – of je was je niet bewust van een behoefte aan een eigen leven los van thuis. Misschien is het niet tot je doorgedrongen dat jij ook je deel hebt gekregen – omdat je er niet mee bezig was. Ik denk dat je er nu aan toe bent om met dat erfdeel jouw leven uit te bouwen. Ik ben fier op jullie.
Fier op jou, Jan, omdat je de moed had om terug te komen. Oh, je kan zeggen dat de omstandigheden je daartoe hebben aangezet. Maar je had je in een koppige fierheid kunnen opsluiten en dat heb je niet gedaan. Je bent, ik kan me voorstellen met de staart tussen de benen en gebogen hoofd, naar mij gekomen. En dat vraagt moed en bescheidenheid. Ik heb een zoon die moedig en bescheiden is.
En ik ben ook fier op jou, Piet. Jij hebt een jarenlange jalousie en wrok onder ogen kunnen zien en benoemen. En je hebt haar achter jou kunnen laten. De afgelopen avond en nacht waren voor jou de tijd om alles zijn plaats te geven. Je bent er doorheen gegaan. Ook dat vraagt moed, ook dat vraagt nederigheid. Proficiat.
Maar er is nog iets dat ik jullie graag wilde zeggen.
Eigenlijk kan ik nu weer vader zijn, jullie vader zijn. Dat is een cadeau dat jullie me geven, een cadeau dat veel groter is dan een gemest kalf, ja een cadeau dat groter is dan een erfdeel: ik mag er voor jullie zijn als vader, een fiere en dankbare vader. Want eigenlijk was ook ik verloren, een verloren vader: met een zoon thuis die bokkig de lippen op elkaar hield en een die zo ver mogelijk van huis wegging. Contact, echte babbel, had ik met jullie niet. En nu vinden jullie, mijn jongens, hun vader en vind ik mijn zoons. Geen is nog verloren in de ogen van de ander.
Er staat een goede fles klaar. Spreek met elkaar af om die te ontkurken.
Jullie papa
Zegen
